Hoofdstuk V - Het Paradijs

Index / Vorige / Volgende

HOOFDSTUK 5

HET PARADIJS

De Bijbel leert de wedergeboorte van de natuur.
Voordat wij iets vertellen over de gezichten die de kinderen in het Paradijs hebben ontvangen, willen wij er eerst op wijzen, dat zo'n Paradijs overeenstemt met het plan dat God heeft met Zijn kinderen en dat dit in de Heilige Schrift is weergegeven. Toen de Heer het eerste mensenpaar schiep, een volmaakte man en vrouw, "plantte Hij een hof in Eden" voor hen. "Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in de hof" (Genesis 2:9).

Het was dus Gods bedoeling, dat de mens in deze mooie natuur zou leven. Hij kreeg een Vaderland in de tuin, het oostelijk gedeelte van Eden, het Wonderpark, dat God zelf bedacht en gemaakt had. In die tijd was er nog geen zonde op aarde. De mens wist niet wat ziekte of dood was. Er waren geen doornen en geen distels. De aarde was nog niet door de vloek getroffen. Het was een hele andere wereld dan die wij kennen. Het was de hemel op aarde, waarin de mens, onbezorgd, de heerschappij had over de gehele natuur en al zijn schepselen. "Prachtig om te zien". Een schepping vol schoonheid en heerlijkheid, zoals wij die heden nergens vinden. God schiep al dit moois voor het eeuwig geluk van de mens.

Spelende kinderen
Jongens van Adullam zijn aan het spelen.
De jonge mensen zijn gelukkig en vreugdevol voordat leeftijd en ziekte zijn zware hand op hen legt. In de hemel zijn ze vrij van elke belemmering om te genieten.

Toen de zonde binnenkwam, werd het genot van al het goede alleen maar een beperkte, voorbijgaande vreugde. De schepping met zijn vogels, dieren, bloemen, bomen en zijn klimaat veranderde van een blijvende toestand in iets van voorbijgaande aard. Hij werd het voorwerp van verkeerde, misleidende, onechte en veranderlijke. Door de zondeval verloor de mens zijn tuin van Eden en zijn God van Eden.

Als de verlossing eenmaal volkomen is zal de mens zijn tuin van Eden en zijn God van Eden terugontvangen. Zelfs nog meer: hij zal niet alleen teruggebracht worden tot de toestand voor de zondeval, maar hij zal naar geest en lichaam in een nieuwe orde geboren worden.

De eerste toestand was aards, de tweede is geestelijk en de ware toestand. Het komt overeen met de toestand zoals dit was bij de Here Jezus op aarde, maar geestelijk op hoger niveau, voor altijd onvergankelijk. Hij kon nog eten en drinken met Zijn leerlingen; Hij bezat nog vlees en beenderen, die men kon voelen, en handen, die voor Zijn jongeren vlees en brood konden klaarmaken. Maar eenmaal in opgewekte toestand was Hij niet meer aan tijd en plaats gebonden, en door geen zwaartekracht van het lichaam meer gehinderd.

Zo zal ook de gehele schepping met zijn vogels, dieren en planten, op een hoger niveau worden wedergeboren, gelijk aan dat van voor de zondeval, maar toch ook weer anders. Dat zal dan het ware leven zijn, zonder vergankelijkheid en zonder langdurige ziekten.

Dat herschepping van de aarde zal plaatsvinden is ook een gevolg van de opstanding van Jezus uit de doden. Christus is niet alleen maar de Redder van de mensen, maar van de ganse schepping. "Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods." ( Romeinen 8:19-21). Als dat niet betekent, dat de totale schepping door de opstanding van Jezus Christus uit de doden vernieuwd wordt, wat betekent het dan? De hele natuur ziet met reikhalzend verlangen uit naar de geestelijke verandering van de verlosten. "Naar Zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder Zijn schepselen. (Jacobus 1:18) Christus is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping (Kol. 1:15).

Hoe kan nu Christus de eerstgeborene van de ganse schepping zijn, als ook niet de planten, de dieren en het klimaat Hem - evenals Zijn kinderen - in de opstanding zouden volgen, en wel in die zin, dat Hij de eersteling is en al het andere de volle oogst? De aarde zelf moet immers vernieuwd worden, zoals geschreven staat: "Wij verwachten echter naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont."(2 Petr.3:13)

Zal de nieuwe aarde geen bomen, bloemen en dieren van hogere orde hebben dan deze aarde, met al hun schoonheid, hun heerlijke geur, verrukkelijke smaak en zijn aangename temperatuur? "Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden." (Jes.11:6.)

Dit alles is zo zeker als het Woord van God zelf: "En Hij, die op de troon gezeten is, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig." ( Openb. 21:5 )

Johannes zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en zag de stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen op die nieuwe aarde.

Zoals nu de eerste aarde een park in Eden had waar men zich kon verkwikken en waar men kon genieten van schoonheid en kleur, zo zal ook - maar dan als een veel heerlijker realiteit - het nieuwe Jeruzalem op aarde zijn park bezitten, waarin het opstandingsleven bruist in al zijn verscheidenheid. Dit Park van Eden is reeds in de hemel aanwezig, maar de hemelse stad is nog niet op aarde neergedaald, maar dat zal in de toekomst wel plaats vinden.

HET PARADIJS IS EEN PARK MET PLANTEN, DIEREN EN EEN HERSCHAPEN NATUUR

Het woord Paradijs is geen Nederlands woord en betekent park. Maar ook het woord Park is niet van Nederlandse oorsprong en betekent Lusthof. Ongetwijfeld zal de beschrijving van het Paradijs, zoals onze kinderen van Adullam het zagen, voor de meeste lezers net zo nieuw zijn als het voor ons was. Dat komt, omdat wij zo onverstandig zijn en "traag van hart, dat wij niet alles geloven, wat geschreven staat". Lucas 24:25.

Deze opmerking maakt wel duidelijk, dat wij niet in staat waren onze pleegkinderen iets over het paradijs te vertellen, maar dat zij ons leerden. Een stel van de allerkleinsten, die natuurlijk niets van deze dingen afwisten, bleken onze beste leraren te zijn. Dat zij hun licht van de Heer ontvingen zal u duidelijk worden wanneer u wat zij vertelden, vergelijkt met het getuigenis van de Heilige Schrift. Want de Bijbel zegt, dat er in de hemel zo'n paradijs is. Paulus zegt, dat hij iemand kent, die tot in de derde hemel werd opgetrokken, in het paradijs. En in de Openbaring van Johannes, hoofdstuk 2, vers 7, lezen wij : "Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is." Ook kennen wij het gedeelte wel, waar staat: "Aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt." (Openb. 22:2; zie ook Ezech.47:12). Zo bevestigt de Heilige Schrift het bestaan van een paradijs met stromend water en vruchtbomen.

Het paradijs is een grote tuin van niet te overtreffen wonderbare schoonheid, en dat is nu juist datgene, wat het woord "paradijs" inhoudt.

Het Bijbels woordenboek zegt, dat het woord van Perzische oorsprong is, en dat de Septuaginta het gebruikt voor ons woord Eden. Het betekent een begrensd stuk land, waarop de schoonheid van natuur en creatuur zodanig met elkaar verbonden is dat men er is tot wederzijds genoegen, evenals wij dit nastreven bij het aanleggen van onze parken. Maar het hemels paradijs is nauwelijks met een aards park te vergelijken, alleen al vanwege zijn uitgestrektheid en zijn hemelse glans, die zoveel hoger is als ook Gods gedachten zoveel hoger zijn dan de gedachten der mensen.

De door mensen aangelegde parken die in unieke gebieden zijn gelegen, met snelstromende riviertjes, kristal heldere roeren, goed verzorgde boom groepen, fluweelgroene weiden, geurende bloemen, zingende vogels en enkele dieren, zijn per slot van rekening slechts een flauwe afspiegeling van het Eden uit de voortijd.

Als God niet de liefde voor de natuur en het verlangen naar mooie parken in het hart van de mens had gelegd, waar komt dan al in de vroegste geschiedenis de universele liefde voor de natuur met zijn flora en fauna vandaan? Moeten al de pogingen van de mens om een deel van het verdwijnende natuurschoon te bewaren van deze onder de vloek zuchtende aarde, in de paar jaar van zijn aardse leven op niets uitlopen? Is zijn liefde tot vogels, dieren, bloemen, bomen, bergen en dalen, rivieren en meren en alle werk van Gods hand alleen maar een voorbijgaand tijdverdrijf, dat hem van Gods hand geschonken is, enkel en alleen om de korte tijd van zijn aardse leven wat op te vrolijken? Zijn niet de schoonste composities hier op aarde schaduwen van de gereinigde, onverderfelijke schoonheid uit het hemels paradijs?

Stil water
De jongens van Adullam hebben plezier bij het meer. Zij geloven dat ze uiteindelijk de aarde verlaten om te genieten van het wonderlijke landschap van Eden in het Nieuwe Jeruzalem.

Nee, de aardse schoonheden zijn niet alleen voorbijgaande beelden voor een pelgrim op aarde, maar tevens een wegwijzer van God, die heenwijst naar de komende schoonheden aan het eind van de pelgrimsreis. Bij hen, die verlost zijn door het bloed van het Lam, en door het geloof in Hem door de poorten Gods paradijs binnengaan, dat wil zeggen de tuin van het hemelse Eden - dat door geen zonde meer van zijn schoonheid beroofd kan worden -, mag de liefde tot de natuur tot eeuwige liefde worden, die over alle grenzen van het aardse bestaan heenreikt.

DE KINDEREN VAN ADULLAM ZIEN HET HEMELS PARADIJS

Ongetwijfeld zal de lezer er belang in stellen, te weten, wat onze kinderen dan wel allemaal in het paradijs hebben gezien. E?n van de jonge helden was bijna onmiddellijk in het paradijs, toen hij de hemelse stad binnenging. Daar ontmoette hij twee jongens uit Adullam, die bij ons in Hokow waren gestorven. Terwijl zij nu met hem door de stad naar het paradijs gingen, kwamen zij al gauw aan een open terrein met een grote grasvlakte, en omgeven met geweldige bomen, die er blinkend en als van goud uitzagen. Het geheel was zo adembenemend om te zien, dat de jongen tot zijn hemelse vrienden zei: "Dit is goed genoeg voor mij. Er bestaat niets mooiers. Hier wil ik blijven!" Maar de twee zeiden tegen hem: "Nee, blijf hier niet staan, want hier zijn nog veel meer en grotere wonderen."

Toen zij dan met hem verder gingen kwamen zij bij nog veel mooiere bomen, waaraan vruchten hingen. Het hele park hier was verrukkelijk en overtrof elke aardse ervaring. Onze nieuweling zei: "Hier wil ik blijven! Ik kan niet verder gaan en deze schoonheid hier verlaten. Wat ben ik gelukkig!" "Ga nog verder mee", zeiden zijn beide begeleiders, "er is hier nog veel meer, dat nog mooier is." Daarop zei onze kleine: "Gaan jullie dan maar verder, maar ik zou zo graag nog een poosje hier blijven."

En de twee lieten hem alleen achter op het fluweelachtige gras onder de bomen. Golven van vreugde en een gelukzalig gevoel, zoals hij dat op aarde nooit had gekend, doorstroomden hem. Hij was in het land der zaligheid, van de "onuitsprekelijke vreugde en heerlijkheid", het land dat schoner is dan de middag.

Zonder dat de jongen gemerkt had waar hij terechtgekomen was, kwam plotseling een engel naar hem toe, die zijn gezang met de harp begeleidde. Deze lachte hem toe en gaf hem de harp. 'Ik kan niet spelen", zei daarop onze kleine. Toen ging de engel verder. Al gauw daarna kwamen andere engelen, die zongen en speelden en hem toelachten.

De engelen waren gehuld in witte klederen zonder naad. Zij hadden volmaakt mooie gezichten; de ??n was niet mooier dan de ander. "O, ik kan niet onder woorden brengen hoe het was als zij vriendelijk naar mij keken", zei de jongen. "Op aarde is er niets, dat men zou kunnen vergelijken met het lachen van een engel."

Dergelijke taferelen, waarvan het ene het ander overtrof, werden vaker in het paradijs gezien en wel door een groter aantal kinderen van Adullam. Zij zagen daar bomen met de heerlijkste vruchten, de mooiste bloembedden, in kleur zowel als in grootte, die een ongekend heerlijke geur verspreidden. Daar zagen zij vogels met prachtige veren, die allen blij een loflied zongen. Zij zagen daar ook allerlei soorten dieren: grote en kleine herten, grote leeuwen en olifanten, aardige konijntjes, allerlei soorten leuke kleine dieren, waaronder ook die zij nog nooit gezien hadden.

De leeuw en het lam
De leeuw en het lam zullen samen neerliggen. De natuur zal naar een hoger niveau worden gebracht dan zelfs het begin, toen alles al ?zeer goed? was.

KINDEREN SPELEN IN HET PARADIJS MET LEEUWEN EN ANDERE DIEREN DIE HIER GEVAARLIJK ZIJN

De kinderen namen de kleinere dieren op hun arm, liefkoosden ze en reikten ze elkander toe. Of zij zagen de prachtige leeuw vreedzaam onder een boom liggen en liepen, zonder dat zij bang waren, naar hem toe en klommen op zijn rug, kamden zijn ruige manen met hun vingers, streelden zijn kop en grepen met hun handen in zijn muil. Soms gingen ze naast hem liggen of leunden tegen hem aan, om samen te genieten van de liefde van hun Schepper. Waarom ook niet? Ergens moet de profetie in Jesaja, hoofdstuk 11:6-8 zijn toepassing vinden.

De kleine kinderen reden op de hertjes, de grotere kinderen op de grote herten of op de vriendelijke olifanten. Allen waren volkomen in de liefde. Het was een volmaakte harmonie! Wat werd daar van vreugde gejuicht! Wat klonk daar het gelach van de kinderen! Wie anders dan onze liefhebbende Vader in de hemel kon zo'n paradijs ontwerpen en tot stand brengen?

ETEN EN DRINKEN IN DE HEMEL

Er was een overvloedige keus aan vruchten en wanneer de kinderen honger kregen aten ze ervan, of raapten zij het manna op, dat men overal voldoende kon vinden. Kregen zij dorst? Hier en daar kabbelden kleine beekjes met verrukkelijk fris levenswater. De Schrift leert eveneens dat in die wereld gegeten en gedronken wordt, daarom mag het ons ook niet verwonderen, wanneer onze kinderen eveneens veel over eten en drinken spraken.

ONZE ADULLAM-KINDEREN ZAGEN IN DE HEMEL DE HEILIGEN VAN HET OUDE VERBOND

In de open, weideachtige lanen, die met de mooiste bomen omzoomd waren, te midden van bloemperken en zangvogels, zagen onze jongens in het paradijs scharen verlosten uit de oudtestamentische tijd, die samen met vele engelen dansten en op trompetten bliezen. Vaak sloten zij zich bij deze feestende schare aan, waarbij kleine en grotere kinderen waren en ook volwassenen, maar geen ouderen. Wat was dat geweldig om te zien! Wat een hemelse zangers! Wat een geluk en wat een vreugde onder de engelen en verlosten! De engelen toonden hen Abraham, David, Daniel, de profeten en de martelaren uit de oudheid. Zij zagen Petrus, Jakobus, Paulus en anderen, voor wie de wereld geen waarde meer had.

Onze jongen uit de arme Miao stam zag zijn tante en zijn zusje, die hem daarheen waren voorgegaan. Ook onze kleine Mary, die bij ons in Kotchiu was gestorven, had onze jongen bij de hand genomen en leidde hem rond in de hemel

EEN JONGEN WERD IN EEN GEZICHT HET STERVEN VAN EEN CHRISTEN GETOOND

Twee jonge gelovigen
Twee jonge gelovigen.

Terwijl familie en vrienden zich om zijn sterfbed verzamelden, stond er ook een engel naast hem, die wachtte op de scheiding van geest en lichaam. Zodra dit had plaats gehad nam de engel de geest bij de arm en steeg met hem op naar de hemel. De overheden en de machten van de boze geesten in de hemelse gewesten, die de engelen probeerden te hinderen, werden door het geloof van de engelen en de lofprijzing tot God, overwonnen, tot zij uit hun gebied verdwenen waren.

Nadat zij in de paarlenpoort waren begroet, werd de nieuw aangekomene door een schare engelen ontvangen, die hem zingend, dansend en juichend een koninklijke ontvangst in de eeuwige stad bereidden.



Index / Vorige / Volgende